Van Tafraoute naar Tata

Maandag 18 februari.

Rustig dagje. We wandelen wat door Tafraoute. Carla koopt arganiacrême en massage-olie van dezelfde boom.
Vandaag is het weer, wat je zou kunnen noemen, onbestendig.
Om het uur krijgen we een klein buitje en dat gaat ook nog de nacht door. Maar de temperatuur is nog steeds goed, al gaan we laat in de middag wat vroeger naar binnen omdat het wat erg fris wordt.

Dinsdagmorgen 19 februari zijn we er vrij vroeg bij (tegen achten), maar onze beheerder Omar blijkt nog op één oor te liggen.
Maar erger is nog dat ìk in de fout ga!
Ik sta met de achterkant van de camper bijna tegen de muur rond de camping.
Omdat ik nogal wat blokjes onder mijn wielen heb om de zaak waterpas te zetten, rijd ik er voorzichtig af. Maar ........ niet voorzichtig genoeg: pang, met mijn achterbumper tegen die muur. Scheurtje in mijn kunststof bumper! Baaaalen!!
Les 1 van het camperen: je bent veel onderweg, moet altijd en overal opletten en kunt je geen concentratieslapte permitteren! Voortaan opletten dus!

Met de pest in mijn lijf rijden we door het krappe poortje (weer opletten) het terrein af.
We rijden in oostelijke richting door het stadje en slaan af richting Agadir. In Noord-Tafraoute zien we nog twee kleine campings bij een hotel en vinden dan de weg richting Titeki, het eerste plaatsje op de route naar Igherm.
We komen weer in bergachtig terrein. Minder begroeiing dan we tot nu toe gewend waren.
Alleen wat heiplantjes, die fungeren als voer voor de kuddes geiten en schapen die we toch nog steeds tegenkomen.
Ten noorden van Tafraoute veel bloesembomen. Met name die van de amandelboom.
Maar in verschillende kleuren: paars, wit, oranje. Een welkome onderbreking.
Een enkele keer trap ik op de rem, omdat ik denk dat er glassplinters op de weg liggen. Het blijken bloesemblaadjes te zijn! Geconcentreerd blijven, toch?

Ook komen er rotspartijen.
Tot Ait-Abdallah blijkt de asfaltweg zo te zijn afgebrokkeld, dat er slechts een smalle rijbaan overblijft. Inhalers en tegemoetkomend verkeer moeten, net als wij, de harde berm in.
Dat betekent oppassen voor steenslag, want veel plekken langs de weg laten glassplinters zien van kapotte ruiten of flessen!
Na Ait wordt de weg goed en tweebaans.

We hebben ons laten vertellen dat de route via Igherm heel bijzonder is. Hiervoor moeten we eerst 75 kilometer naar Igherm naar het noord-oosten, dan vandaar het restant (totaal 228) naar het zuid-oosten.

Igherm doet wat doods aan, de vrouwen dragen donkerblauwe haiks.
De bloesems verdwijnen, het land wordt nog kaler.
Vanaf Tagmoute wordt de natuur als maar mooier.
De panorama's volgen elkaar op, ook de oases.
We zien links en rechts van de weg lagere bergen op de voorgrond, hogere op de achtergrond.
Vooral de lagere bergen zijn heel rond van vorm, terwijl ze door de erosie zo zijn gestyled dat het lijkt of ze zijn geboetseerd of door een enorme hark systematisch zijn aangeharkt.
Hier moet duizenden jaren geleden een rivier hebben gestroomd, want van alleen de wind kan dit niet zijn ontstaan.
Het akkefietje van vanochtend ben ik al weer vergeten. Dit is zo mooi, je voelt je nietig en dankbaar tegelijk. Al het andere is even bijzaak.
Je verveelt je geen moment, iedere keer zien we weer iets anders.
De oases met tientallen palmbomen en daaronder lichtgroen, bijna fosforiserend gras dat de ogen prikkelt.
Soms denken we op de Route 66 te rijden. We komen bijna niemand tegen; sommige rotsen zijn afgeplat, als lijken het de Rocky Mountains.
We rijden langs een rotswand met daarin golvende lagen oranje gesteente en grijs gesteente.
Soms grijsgroene heuvels en bergen, aquagroene lijsteen.
Intussen rijden we door droge rivierbeddingen, met daarin een tapijt van lichtgrijze, bijna witte kiezels, groot en klein, soms ook grind.
Er zijn veel doorwaadplaatsen, als bewijs dat we door droge rivierbeddingen rijden, die bij ernstige regenval, één à twee keer per jaar, water produceren.
Die plekken zijn gemarkeerd met rood-witte vierkante paaltjes.

We komen Tata, een niet onaardig maar wat steriel plaatsje, aan de westzijde binnen.
De vrouwen dragen hier kleurige haiks of soms gewoon een rok en een blouse, maar meestal donkere hoofddoeken.
Een bord geeft aan dat we over tien minuten camping Tata-Titi, geleid door een Nederlands stel, zullen bereiken.
We kiezen niet voor de camping Municipal , gelegen aan de hoofdstraat. Een volledig verharde, maar wel tamelijk volle camping.

Op Tata-Titi worden we ontvangen door Peter, Utrechter van huis uit. Heeft gewerkt op een camping in Frankrijk, spreekt dus goed Frans en woont in Zeeland.
Een jaar geleden is hij de camping begonnen, een hectare, gekocht voor anderhalve euro per vierkante meter.
Hij is er alleen in de winter, want 's zomers is het 40 tot 50 graden in deze streek!
Hij heeft grootse plannen, wil groeien en uitbreiden. Ooit hoopt hij zelfs bungalows te hebben en een restaurant te kunnen openen.
De camping heeft slechts één toilet en één douche. Maar dat zijn ook tegelijk de mooiste van Marokko, denken wij. Het toilet heeft een keurige wastafel met zeep, er hangt papier en het is er brandschoon!
De vrouw van Peter werkt in Nederland, want van een serieus inkomen van alleen de camping is geen sprake.
Ze hebben nog geen stroom in de aanbieding, maar het plekje is prachtig.
Midden tussen de bergen, enkele terrassen.
Er zijn deze keer 3 Nederlandse echtparen en een Frans stel.
's Avonds pikken vrienden van Peter nog wat Fransen (5 campers) op in Tata, die niet op de Camping Municipal terecht kunnen. Dus zijn we plots weer in de minderheid.

Woensdag 20 februari.

Op aanraden van Peter zijn we naar een oase geweest, 40 kilometer ten noorden van onze camping.
De mooiste oase van Afrika, volgens Peter, slechts overtroffen door een oase in Tunesië, die ik niet ken.
Het blijkt een paradijsje: groen, groen en nog eens groen. Zelfs een stromend beekje.
Veel zittende en soms slaperige mensen. Maar misschien is dat het kenmerk van een paradijs.
We hebben vervolgens in Tata goed gegeten voor 77 dirham, dus nog geen 8 euro. We hebben het personeel van schrik 10 euro gegeven. Ze probeerden ons uit te leggen dat we veel teveel betaalden. We hebben ze gerustgesteld.
Nog even diesel getankt, nog geen 70 eurocent per liter. We wisten niet dat dit nog bestond.

We zijn van plan om morgen weer verder naar het oosten te gaan, naar Foum Zguid.

Naar de Anti-Atlas!

Zaterdag 16 februari.

We hebben het stadje nog eens wandelend verkend.
Tussen 13.00 uur en 15.00 uur is veel dicht, dus daar houden we rekening mee.
Tiznit staat bekend om de kleurige haiks van de vrouwen. Dat is een kunstig aan elkaar genaaide doek om het hele lichaam te bedekken en te versluieren.
Soms kun je aan die haiks zien waar je bent: in Essouira hebben ze veel wit, in Tiznit uiteenlopende kleuren en dessins. Kan er soms leuk uitzien en geeft het straatbeeld een kleurig aanzicht.
Carla wil nog even naar de zilversoeks; zilversmeedwerk en de verkoop daarvan zijn het handelsmerk van Tiznit.
's Avonds worden we verrast door een langdurige regenbui, van 19.00 uur tot 24.00 uur.
We malen er niet om; lekker voor het stof!

Zondag 17 februari.

Nu gaan we eigenlijk voor het eerst het echte berggebied in. Het Anti-Atlasgebergte.
De route van Tiznit naar ons doel, Tafraout(e), bedraagt 105 kilometer.
We vertrekken om een uur of half 9.
Deze route is, vanwege het natuurschoon, in ons geheugen gegrift.
Inmiddels hebben we weer wat meer ervaring dan vorig jaar en weten we dat Marokko grossiert in prachtige, afwisselende, landschappen.
We beginnen weer met relatief vlak land, bezaaid met steenbrokken en woestijnachtig.
Na 10 kilometer wordt het heuvelachtiger en mooier.
Droge rivierbeddingen, een uiterst veel voorkomend beeld, met rotsen in alle tinten grijs, tot aan blauw toe.
Grote delen van de heuvels en hellingen zijn voorzien van terrassen, waarvan de wallen versterkt zijn met stenen. Naar we aannemen om bouwland te winnen en tegelijkertijd de erosie af te remmen.
Veel terrassen hebben lichtgroen gras, dat oplicht als de zon er op schijnt. Kwistig over het land verspreid.
Halverwege de rit wordt het terrein bergachtiger.
Er liggen nogal wat steenbrokken op de weg, vermoedelijk van de bergen gevallen, waardoor ik maar wat meer links aanhoud.
Ik heb weliswaar geen fobie, maar een kei op het dak van mijn camper zit ik niet op te wachten!

Maar het natuurschoon neemt zienderogen toe.
Doordat het half bewolkt is komt de zon in bundels door de wolken en verlicht het land als met spotlights. Een prachtig effekt.
En altijd weer bloemen, geel, paarse bloesems, groen. Marokko is het land van kleuren.
Halverwege de rit een prachtig uitzicht over de bergen, dus stoppen we even.

Na 100 kilometer komen we in de buurt van Tafraoute. De bergen veranderen in rotsformaties.
Die (granieten) rotsen omringen Tafraoute, zijn overdag okerkleurig en veranderen tegen de avond in roze.
We passeren Camping Tazka en komen aan bij Camping Les Trois Palmiers, waar onze berber Omar de scepter zwaait.
Het is een kleine camping, het merendeel van de campers staat buiten de muur die de omheining vormt.
We weten met enige moeite een plaatsje (het enige plekje) binnen de muur te bemachtigen.
Weer allemaal Fransen, een Duitser en een vriendelijk stel uit Rabat (zij Canadese en dik in de vijftig, hij een dertiger en Marokkaan) dat in een tentje kampeert.
Buiten de camping is een camperplaats met honderden palmen en campers van alle nationaliteiten, ook enkele Nederlanders. Met prachtig zicht op de granietrotsen.

Tafraoute ligt 1200 meter hoog, dus het is wat frisser dan aan de kust. Maar ik denk dat we overdag nog wel ruim de 20 graden halen!
Veel roze huizen, wit pleisterwerk rond de vensters.
Het plaatsje is bekend om de specerijen en de handel daarin. Mensen uit Tafraoute verkopen hun handel in heel Marokko.
Ik fotografeer een straatje en wil de jonge vrouw in een zwarte met zilverkleurige biezen afgezette haik meenemen op mijn plaatje. Ze gooit bijtijds een zwart doek over haar hoofd.

Morgen willen we via Igherm naar Tata.
8 Kilometer ten noorden van Tata moet een camping zijn die geleid wordt door een Nederlands stel. Daar willen we heen.
We zijn benieuwd.